Uit een kleine residentie

Door R. v. Rawitz.
in: „Nieuwsblad van het Noorden” vom 11.03.1908


KLEIN FEUILLETON. Uit een kleine residentie Door R.v. RAWITZ. -sj 4el> iiT—"-~ de meest 8epIaagde .Wei Ukki8st6e Commissaris! £ D6 '¦ öie„ ambtenaar van den w™S?'i Commissaris! x gwee', **>** /* dieDaar V&n ZiJQe * Commissaris s K fe>ar?sie lat g, K SSStW Doi,^k voerden, waren VI > Sok Wal van de Hertoge- Irr wV^&e«mRenadt en z«n ordonlV« d? kal* ?et &llSl aan de schrijf¦jatu , streek over zLK,nuPPel stond ik ree] 3n Ptó *ij tr Zoo'n Es J As fe de com^sSaris, juist J dett *«« te pakken krijgen, K nfetCT1missaris ¦ l U,H) o, J Pleizier fvLScw ' de pohhe moet overal të jCI naar ,-- «'«eloopen. De wa? J£m huls toe> waar H> n*er Sin! ltï^ers br»adde; de >t\ v?,?"* oulf ïrter naar de soos, , f ° «ijnS Hongaarschen wijn SN «rfaJESf, ** Vergeten cn" den V u^ierfn do°r te brengen- . Uvee r£SLiewu8e heeren van-de 'aadsheeren, en nog andw* • , nuttige leden der maatschappij, die den dikken baron met luid hallogeroep ontvingen. — Morgen, baron, goeden dag meneerde commissaris, welkom: Schmerlingen 1 — Goeden morgen, heeren! — Wat komt u laat, mijn waarde? — Ach, dc dienst — dc dienst — ik kan u zeggen vreeselijk! (Hij was van 's morgens 10y2- tot kwart na elf op het bureau geweest). — Arm schepsel — is er een nieuw moordje m 't vooruitzicht? — Dat nu juist niet, maarwat anders. En hij vertelde het nieuwste sensatiebericht m zijn ressort, dc oplichterijen van den zoogenaamden Lehman m alle kleuren en geuren. Terzelfder tijd schelde een elegante jongeman bij de woning van den baron aan. —Is de familie thuis ? .. v „, — Mijnheer de baron is op zijn bureaa, mevrouw is uitgegaan. .. ____ — Vraag dan of de freule mij ontvangen wil. Mijn naam is Kamerjonker von Bolnstcin 1 * De freule ontving den gast en twee minuten later zaten de beide aardige jongelui tegenover elkaar in de blauwe salon. F- Een gelukkig toeval, Sophie, dat ik je allzTzagefmet de mooie donkere oog*n naar hem op en drukte hem de hand: Een zeer gelukkig toeval, Alfred. ~.. , . •— Is het eigenlijk niet belachelijk dat wu beiden deze vluchtige oogenbhkken da: wg samen zijn, dankbaar prijzen moeten? Konden wij niet reeds lang een paar zijn/ — Je weet toch wel - dat papa onver-biddelijk is. Heb je nog steeds geen kans op eene aanstelling? , . „„_ — Niet de minste, alle plaatsen in ons klein staatswezen zijn bezet, mijn portemonnaie is zoo leeg als ooit, — Als je je eens direct tot Zijne Hoogheid wendde? ~_¦•».•« — Onmogelijk, kindl En bovendien hij kan voor mij toch geen betrekking in t leven roepen. — Neen, dat gaat niet best — en waarom kom je hier, Alfred? , .. — Een opdracht — ik moet dit schrijven van het kabinet overhandigen. Zij bekeken beiden het couvert met het groote zegel, drukten elkaar de hand en toen vertrok hij weer. Beneden op straat ontmoette de kamerjonker een officier, die aan zijn uniform als een vleugel-adjudant van den hertog kenbaar was. — Kom, oude iongen, wat scheelt er aan? Je ziet er uit als acht dagen slecht weer. — Goeden dag. Liebenau; ja, het leven is «weilijV — Je kan nou maar steeds niet met de kleine Schmerlingen £«' komen iis't niet? Moed, man, eenvoudig_weg doorzetten. - Hij zal je toch i»e °Pft _ - Daarvoor ben ik «_ j weet, Liebenau, « onbetekenende Jkamcr_ rijke edelman, " acntige politiecommissaris. J°nkewie Ct noe lang nog - Zijne Hoog, ~a • niet zeer genegen meer - hij IGlt 'vnZer dagen tamelijk duidelijk tegenover mf tSlalen - Bolnstein - dat *zou over mij juig z)jn _ meester in de SteiTben Ï°U— al " «3 * 1 JeßoïnSllimlachte: Dat zal veel uitwerk - Dat zal het ook, je wordt het zeker 1 Je zult me toegeven, Rolnstein, dat je a.s. schoonvader een aardige oude heer, een geschiedenissen-verteller en een wijndnnker is — maar een politiechef is hij met. En bovendien, hij heeft het heelemaal niet noodig, de schatrijke man! — Nu, Liebenau, protegeer mij dan _ ik geef me in jou handen over! — Goed goed, — ik heb reeds een denkbeeld — maar laten wij van dit onderwerp afstappen. Ben je hedenavond op het groote I gemaskerde bal? — Dat spreekt van zelf, Liebenau. Jij toch ook? — Natuurlijk - maar, Beheel onder ons in gezelschap. — Ah, van een damel he7r.Van eCn Cen ZC€r ho°ggeplaatst — Zijne Hoogheid. — Pst - wil jij je mond wel eens hm, den! Een hooggeplaatst heer, __£ns*) niet. Hij wil de pret ook' wel uman aanzien. Hij komt dus als allen a*mg,ci als roode domino Lieve heme?%f jaar oud is, heeft men ook nog wel rech* op zulke pretjes. 8 L reen — En weet de opperkamerheer ? — Niemand dan ik. Want anrWÖ i,„_ er allerlei tegenwerpingen en wf dit genoegen met laten ontnemen — Maar den commissaris van politie moot men er ten minste van op de hoog e steTlen — Den - tenminste! Maar, aSieu Boln" stem, ik moet aan tafel. Zooals gezegd zal werMiik' _*___£ *£-»« moest aeaocht, - ik zal den commissaris van poïitic n anoniem briefje schrijven, dat is 't beste! Hij trad het nabijgelegen postkantoor binnen en schreef op een briefkaart slechts de volgende woorden: Mijnheer de baron een persoonlijkheid, die aanspraak maken mag op uwe levendigste belangstelling en die weibeschermd moet zijn in het belang van den Maat, zal hedenavond het gemaskerd bal bezoeken. Let op de roode domino. Een vriend. Baron Schmerlingen deed een middagslaapje, toen deze brief kwam, en las hem daarom vrij laat. Toen echter hield het schrijven zijn cnmiiialistisch gemoed bezig, zoonat hij onmiddellijk zijn factotum, den braven Knuppel, liet roepen. — Een buitengewoon mooie slag, zei hij dezen, een buitengewone zaak, die wij vandaag moeten opknappen! Je komt natuurlijk in burger, Knuppel, maar vergeet de handboeien niet! En de groene wagen moet ook klaar staan! — Tot uw dienst, meneer de commissaris! — Ja, wacht nog even, Knuppel. Zorg dat je nou niet weer dronken bentl Pas op, hoor! — Jawel, meneer de commissaris! Vandaag beslist nietl — Nu, ga dan — en precies om negen uur, hoor! — Tot uw dienst, meneer de commissaris! Drie uur later bewoog zich een bonte menigte in het feestgebouw van Waldenstadt De oudere dames en heeren waren grootendeels ongemaskerd of hadden slechts" een domino omgeworpen; de jeugd daarentegen had van costuum en masker een riikeüjk gebruik gemaakt en zoo zag men gestalten van alle naties en tijden in verschillende pronkgewaden voorbijtrekken. Toen het negen uur sloeg trad de hooge politieambtenaar met zim begeleide de zaal binnen. Om zich a?»!fra?ï te mak 6n' had hiJ een costuum aangetrokken, maar de verkleeding hielp hem weinig, want zijn dikte en zijn roodachtig S°rgT?an,verrieden hem maar al te duip»v.J V -na viJf minuten was hij door ilal\..doznn goede bekenden aangesproatu»?\ kS zou ziJne zending heelemaal verftlf Rebben als dé wakkere Knuppel niet chpf 7„\»ZIJ e geweest was. Deze stiet zijn .1 n aan' wees op een zijloge en zcid'e: ij aar meneer, daar hebijen wij hem! Km.^t.6! roode d0min0....? Ja, waarachtig! Wil *£ #'• Zoek een belooning voor je uit. dienste? gulden of de medaille van ver~7 " liefst allebei, meneer de commis— We zullen eens zien, wat we gedaan kunnen krijgen. Maar nu aan het werk! ïwee minuten later trad hij de zijloge binnenen maakte een diepe buiging voor den roooen domino: Mijnheer, ik zou u eaarn» eens spreken. Om onaangenaam opzien te vermijden, moet ik u wel verzoeken met mij op den corridor te komen. De roode domino keek verrast het gemaskerde gelaat aan: Ik? — Ja, gij, maar wat vlug! Ik ben de commissaris van politie. De heer stond op en ging naar de deur der loge, waar Knuppel reeds stond te wachten. Zijn rood gelaat straalde van dienstijver en met luid gerinkel haalde hij de handboeien te voorschijn — Ik dacht, we moesten hem maar dadelijk boeien, meneer de commissaris? Baron Schmerlingen de vreemdeling deed een halven pas achteruit. — Begin geen grappen, riep de commissaris met gefronst voorhoofd, je bent dan aan een verkeerd adres. Gemeehe spitsboef — ik heb den slungel onmiddellijk herkend' Goedenavond, mijnheer Eduard Lehman, goedenavond; mijnheer de oplichter! Bleek slank, ntr r;2f«°ud,-J alles u°Pt- En reeds der gestraft zal de kerel wel zijn, hij ziet er tenminste wel naar uit. De handboeien, Knuppel, en dadelijk in het gat. Een groot aantal personen had zich om dit tooneel verzameld, onzeker, of het een carnavalsgrap, dan wel bittere ernst was.; Met haastige schreden trad graaf Liebenau' uit de menigte te voorschijn die met verschrikte stem vroeg: Schmerlingen — baron — om 's hemels wil — wat doet u? Knuppel, scheer je toch weg met die vervloekte handboeien! Treedt de loge binnen, dan. zal ik u alles verklaren! En dat werd hem inderdaad gedaan! De dikke baron viel even in onmacht, toen bij den hoogen, thans ontmaskerden heer voor zich zag. Hij stotterde iets van misverstand, stommiteiten van den dwazen Knuppel en eigen kortzichtigheid, legde er ook nadruk op, dat de toenemende ouderdom ! — Goed! Beste Schmerlingen, antwoordde de roode domino, als u zelf wilt, zal ik er u van ontheffen. En opdat gij zien zult, dat ik u dezen misgreep niet kwalijk neem, zal de betrekking in de familie blijven. Mijn kamerjonker Bolnstein dingt naar de hand van uw dochter. Laten wij het op *een accoordje doen, baron! Gij geeft uwe toestemming, ik de betrekking. — Uwe Hoogheid is al te goed, terwijl de baron eene buiging maakte. Daarna vertrok hij. Voor de deur wachtte de, trouwe Knuppel: En de tien gulden, meneer'decommissaris ? — Die zal je hebben, maar dan alleen, als je als verstandig beambte weet te zwijgen. Het was een carnavalsgrap, anders niet! Begrepen?? ss' Jawel, meneer de commissaris,

— — —